Culturama VZW

 Lezingen en cursussen
 Stadswandelingen te Brussel
 Museabezoeken

Boekbesprekingen

In de naam van Vlaanderen : Een publicatie van het Davidsfonds door Vic de Donder

Vlaamse retabels. Een boeiende wereldreis langs laatmiddeleeuws beeldsnijwerk.

Alle wegen leiden naar Rome.

Licht en verlichting, een uitgave van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

De geschiedenis van de dorst

Schoonheid uit klei en cement

Brussel XL in actie

Brusselse wafels

Sint-Michiel, de Brusselaar

Brussel XL in noten

Koning van Kokanje

 

 

In de naam van Vlaanderen- Een publicatie van het Davidsfonds door Vic de Donder

 

Een merkwaardige publicatie

Onlangs rolde bij het Davidsfonds een merkwaardig boek van de persen. Merkwaardig omwille van drie redenen. Ten eerste omdat het klaar kwam in mei van dit jaar en gedrukt werd in een zeer heikele periode wat betreft de Belgische politiek. Ten tweede door de bevattelijk geschreven en vlotte tekst, waarbij de vroegere journalist van De Standaard een onderzoek deed naar de geschiedenis en de naamgeving van Vlaanderen. Ten derde door het besluit dat de ‘staat’ ‘Vlaanderen’ als een afgelijnd en bepaald geografisch gebied, een Vlaamse etnie en een Vlaamse onafhankelijke staat nooit heeft bestaan maar door allerlei factoren merkwaardig was. Vlaanderen is- net zoals België - een artificiële staat en dekte doorheen 14 eeuwen verschillende ladingen. Het gebied groeide en kromp. De bevolking waren eeuwenlang mensen van allerlei slag en herkomst- alle katholiek- waarvan de meerderheid het Nederlands en een minderheid het Frans als moedertaal sprak.

 

Meertaligheid- Vlaanderen en Wallonië, Theodescen, Flandria en rodaniensis- Een volk van ruige inwoners, dat evolueert tot vrome, moedige en noeste christenen

Vlaanderen was een deel van Gallië en opgenomen in de Romeinse provincie ‘Belgica Secunda’. Het gebied werd doorsneden door heirbanen en een belangrijk knooppunt was bavay. Het volk was een bonte mengelmoes van zowel Galliërs als ingeweken Romeinen en Germanen. Men sprak er ook meerdere talen: het Latijn, varianten van het Latijn en het Germaans. Het sterkst geromaniseerde gebied lag onder de heirbaan Boonen (Boulogne-sur-Mer)- Cassel-Tongeren-Maastricht-Keulen. Anderssprekenden of vreemden (= ‘buitenlanders’) werden er ‘Wahal’ genoemd- in het boek staat de verkeerde term ‘Walah’- afgeleid van de naam van de Keltische volksstam der Volcae. Dit woord kan men vergelijken met het woord ‘barbaros’ bij de oude Grieken. De stam van ‘Wahal’ vinden we vandaag nog terug in ‘Wallonië, Wallis, Walachije en Welsch’ . In de 9de eeuw zouden er zich varianten ontwikelen, zoals het Waals, Lotharings, Picardisch en Champenois. Er bestond ook een volk der Theodescen en in 788 was er al sprake van een ‘lingua Theodisca’. In het West-Frankisch betekent ‘theudi’ volk. Voor de Romeinen waren de Franken die geen Latijn spraken Theodesken. De stam van deze woorden leeft nog voort in de termen ‘Diets en Duits’, talen die wel of niet klankverschuivingen meemaakten. De groep met taalverschuivingen was de groep van het Middelhoogduits en het Hoogduits. De andere taalgroep evolueerde tot het Nederduits, het Vlaams of het Nederlands. Na de val van het Romeinse Rijk bleef het Latijn als taal van de Kerk bewaard en volgden de christelijke bisdommen de oude, administratieve gouwindeling. Eeuwenlang lag het grootste deel van de bidsommen vooral op Frans grondgebied. Het christendom werd gesteund of gebruikt door de bekeerde Franken. Het dun bevolkte kustgebied werd vanaf de 6de eeuw bevolkt door Friezen, Saksen en Zeeuwen of Suevi. Later rukten er ook de Franken verder op. Plaatsnamen zoals “Bryggia” (= Brugge) en Roksem bij Oudenburg verwijzen naar de ‘vreemde’ herkomst van deze volkeren. Het gebied rond Oudenburg was amper een voorschoot groot, doorsneden door vele watertjes en bezaaid met drassige gronden, venen, zandbodems en vele bossen. Twee bronnen van de eerste helft van de achtste eeuw vermelden al een term die een band heeft met Vlaanderen. In de Vita van de H. Eligius, de levensbeschrijving in het Latijn dus van de heilige, opgesteld ca 725, werd al gesproken over ‘in Flandris’. Sloeg deze term al op het gebied ten Westen van de Schelde? De inwoners heten dus ‘Flandrenses’. In de schenkingsakte van priester Felix, die zijn kerkje of ‘cella’ schenkt aan de Sint-Bertinusbdij (745) is er sprake van ‘in pago Flandrinsi’. Volgens Vic de Donder hebben de woorden Vlaanderen en Vlamingen dezelfde stam als het Germaanse woord ‘flauma’, het Engelse ‘flem’ , het Deense ‘flam’ en het oudduitse woord ‘flaum’ . De ‘Pagus Flandrisi’ zou een band hebben met de woorden voor ‘vloed, stroom, stroming en modder’ en zou dan niets anders betekenen dan ‘modderland’ of ‘verzopen land’ en verwijzen naar een bijzonder geografisch kenmerk van de regio of deze sompige uithoek van het Frankische Rijk. Het is echter ook historisch bewezen dat de oudste benaming van Vlaanderen gegeven is voor het gebied rond Boonen (Boulogne-sur-Mer). Hier is het landschap totaal anders. Het is een heuvellandschap, met een kalkbodem. Er werd al veel geschreven over de oorsprong van het woord ‘Flandrensis’. Welke verklaring is de juiste ?

 

Het gebied rond Oudenburg werd door de terugtrekking van het overstromende water en de rol van abdijen groter. Het ruige en niet Latijns sprekend kustvolkje moest verder gekerstend en dus werden er verschillende missionarissen (Eligius, Vedastus, Eleuther(i)us, Sint-Omaars en Amandus) op af gestuurd. Sint-Elooi heeft er grondig werk verricht en is tot vandaag een zeer populaire heilige gebleven in Oost-en West-Vlaanderen. Op vraag van keizer Karel de Grote werd het gebied na 793 versterkt tegen één der grote gevaren van Europa, de Vikingen. Meerdere invallen in de 9de eeuw werden succesvol afgeweerd terwijl de Maasvallei geplunderd werd. Vic de Donder vermeld ook een ‘pagus rodaniensis, dat te situeren is in de omgeving van Kerkrade, dus in het huidige Nederlands-Limburg en Duitsland.’. Door het Verdrag van Verdun in 843 werd de pagus Flandrensis definitief van het Germaans sprekende gedeelte- het latere Duitse Keizerrijk – gescheiden en voor eeuwen een deel van Frankrijk. Het reikte tot in Nederland en had de Schelde als rijksgrens.

 

Van klein leen tot machtige buur en concurrent- Fraaie en minder fraaie daden- Teutonica en Flandria

Dank zij de noeste arbeid van abdijen, dijkenaanleg en andere waterwerken, verbeteringen in de landbouw zoals het drieslagstelsel, een aangroei van de bevolking, de ontwikkeling van markten en steden en de acties van de lokale vorsten zou het kleine leen van de Franse koning stilaan uitgroeien tot een belangrijk, welvarend en machtig staatje. Een aristocratische ambtenaar werd graaf. Het was de legendarische graaf Boudewijn- die door de Vikingen met de bijnaam met de IJzeren arm werd vereerd- die het had aangedurfd Judith te schaken (of beter gezegd haar vrijwillig meenam) en zich zo de woede van haar vader, de Franse vorst Karel de Kale, op de hals had gehaald. Het koppel kreeg een onderkomen van Lotharius en moest ook in verband met de erkenning van hun huwelijk de steun inroepen van de paus. Boudewijn werd door zijn schoonvader later in eer hersteld en kreeg nog andere gebieden toegewezen. Zijn verre oorsprong is nog steeds onbekend. Andere graven deden andere beroemde daden. Boudewijn II veroverde vele gebieden waaronder Artesië, Ternois en het Doornikse en was als erkend vazal van de Franse vorst heer over de hele Noordzeekust en een gebied, dat reikte van de monding van de Schelde tot Atrecht, nl. Flandria. Boudewijn IV met de Baard veroverde Valencijn, de 4 Ambachten en Ename. Het aartsdiaconaat werd Flandria genoemd en het grafelijk gebied werd ingedeeld in 14 kasselrijen. Boudewijn V was een belangrijke dijkenbouwer, stichtte Rijsel en Ieper, kreeg Keizers-Vlaanderen, huwde met de Franse kroonprinses en liet zijn kinderen trouwen met verschillende vorsten, zoals Willem de Veroveraar, de graaf van Henegouwen en de gravin-weduwe van Holland. Zijn dochter Mathilde, aan Willem de Veroveraar uitgehuwelijkt, gold als ‘zeer onderricht, schoon en deugdzaam’. Boudewijn VII Hapkin was hard, uiterst streng in zijn toezicht op de toepassing van de Godsvrede en werd daarom begiftigd met de bijnaam ‘met de bijl’. Hij was verwikkeld in een oorlog met Willem de Veroveraar. Karel de Goede verbood het dragen van wapens op markten; steden kregen stadsmuren. De wetgeving werd hervormd. Diederik en Filips van den Elzas, in wiens aderen veel ‘vreemd bloed’ stroomde, en Boudewijn IX trokken naar Jeruzalem. De laatstvermelde werd zelfs tot Latijns keizer in de Aya Sofia gekroond. Deze graven hebben door hun kruistochten Vlaanderen toen al op de Europese kaart gezet. Al deze graven en hun opvolgers spraken Frans. Brugge kreeg de voorkeur als residentieplaats. Door huwelijkspolitiek, verovering, onrechtmatige inpalming van erfenissen, schenkingen, diplomatie en soms een dubbel (en vals) spel tegenover de Franse en de Engelse vorst werd het gebied steeds verder uitgebreid in Frans-Vlaanderen. Vlaanderen was een groot vorstendommetje geworden. Vic de Donder vermeldde dat de gebieden tot aan de Somme reikte. Hij heeft het gebied te klein ingeschat: op sommige plaatsen ging het zelfs tot over de Somme! Cultureel en economisch ging het Vlaanderen steeds beter. Vooral dank zij de schenking van stadskeuren: Dowaai (nu Douai) , Gent, Velzeke en Brugge kregen één na één Franse of Dietse akten tussen 1204 en 1269. Verder was er de opmerkelijke bloei van laken- en textielindustrie en de organisatie van jaarmarkten.De bevolking leverde een noeste arbeid. De 12de eeuw was een periode van ‘hoogrenaissance’ op het vlak van cultuur en literatuur. In 1079 was er sprake van een ‘Teutonica patria’. Jacobus de Vitry vermeldde echter ‘Vlaamse’ studenten in Parijs als veeleisend en verkwistend en Petrus Pictor schreef een ‘de Laude Flandriae’. Een minderheid sprak Frans. Tot ca. 1200 bleef Latijn de cultuurtaal. Topwerken zijn o.a. het Liber Floridus en ‘Ysengrinnus’.Later ontstonden het Kosmologisch Tractaat van Gent, de wetenschappelijke teksten van de arts Jan Yperman en de Dietse boeken van Jacob van Maerlant. Johanna van Constantinopel bezat naast Franse ook Dietse werken in haar bibliotheek. In de 13de eeuw kwam de doorbraak van de gotiek (Scheldegotiek) en werden indrukwekkende openbare en kerkelijke gebouwen opgetrokken.

 

Van een klein leen met politieke problemen tot een rijk, groot maar nog steeds afhankelijk gebied- Fiamminghi en Flamands- verdere verfransing

Ging het Vlaanderen op vele vlakken voor de wind, op politiek gebied bleven er torenhoge problemen bestaan. De Franse koning bleef natuurlijk dé vijand nummer 1.

Meerdere malen werden jonge,Vlaamse prinsesjes te Parijs gevangen gehouden om ze nadien uit te huwelijken. De Franse vorsten waren meedogenloos in hun annexatiedrift en pasten diverse tactieken toe. Stokerijen, intriges en omkoperijen hebben geleid tot burgeroorlogen. Zeer hoge geldsommen of straffen, verplichte ontmantelingen van Vlaamse steden en uiteraard een uitgekiende huwelijkspolitiek waren het ideale middel om de ‘machtige buur’ op de knieën te krijgen en definitief in te lijven. Bestaande stadsprivileges bleven wel erkend. Het uithuwelijken van de eigen broer door Karel V (in 1369) aan de dochter van Lodewijk van Male, aan Margaretha, was helaas geen slimme daad of meesterlijke zet. De huwelijkspolitiek werd ook door de Vlaamse graven toegepast. Zo werd Vlaanderen eerst een onderdeel van het Bourgondische en nadien van het Habsburgse rijk. De legale vorsten droegen vele titels, die verwezen naar hun verschillende bezittingen. Bourgondische prinsjes beheersten de Dietse taal. De Hertogen vertoefden vaak in onze streken. Zelfs Maximiliaan zou uit liefde Vlaams leren! Een gemene munt, centrale instellingen en de uitbouw van een betrouwbaar dienarennetwerk werden een feit. Glitter, schittering, pracht en praal, luxeproducten, internationaal bekende artiesten die in Europa rondreisden, een grote diversiteit in de landbouwgewassen en in de textielproductie, werklust en export waren de belangrijke ingrediënten voor de steeds hoge welvaart en rijkdom. De faam reikte tot ver buiten onze grenzen! Vlaanderen bleef als vorstendommetje wel een economische ruggegraat van een rijk maar verloor zijn centrumfunctie. Het werd stelselmatig uitgebreid, met o.a. de steden Antwerpen en Mechelen en met het hertogdom Brabant, Limburg, Holland, Friesland, Gelderland, bisdom Utrecht en gebieden in het huidige Nederland en Duitsland! Alleen het prinsbisdom Luik behoorde niet tot dit grote gebied. De droom van Filips de Goede om een ongebonden vorst te zijn en van Karel de Stoute om één groot verenigd rijk te hebben viel in de schoot van Keizer Karel. Karel had hierbij ook veel te danken aan zijn tante.

Deze merkwaardige dame was zeer onderlegd, meertalig en niemand minder dan Margaretha van Oostenrijk. Zij zorgde immers ook voor een merkwaardig verdrag! Door de Damesvrede van Kamerijk in 1529 verwierven onze streken eindelijk hun definitieve onafhankelijkheid of de soevereiniteit! Na 696 jaar was Vlaanderen NIET MEER ondergeschikt aan Frankrijk! De stoutmoedige dromen van Gwijde van Dampierre en van Karel de Stoute werden nu eindelijk waarheid! Helaas deed keizer Karel twee domme dingen. Door zijn afstand van de keizerskroon ten voordelen van zijn broer Ferdinand ging een eeuwenoude relatie met een ander gebied verloren. De lage landen werden op deze manier definitief gescheiden van het Heilig Roomse Keizerrijk der Duitse Natie. En Karels zoon werd in een vreemd land, als Castiliaan opgevoed. Brugge moest de weg ruimen voor steden zoals Antwerpen, Mechelen en Brussel. Economisch gezien stonden we toen aan de top van de wereld. In de wereldhaven Antwerpen woonden ca. 90.000 en in de hoofdstad Brussel 30.000 personen. Onze Nederlanden telden toen 3 miljoen zielen! Het gebied werd steeds meer opgezocht door buitenlanders en anderstaligen. De aanwezigheid van Franse, Italiaanse, Spaanse, Duitse en Portugese kooplui, diplomaten en ambtenaren maakte van Vlaanderen een interculturele, tolerante en kosmopolitische staat. Het Frans werd natuurlijk belangrijker maar Diets- of vanaf het einde van de 15de eeuw Vlaams-bleef de taal, gesproken in het grootste gebied. Ten gevolge van het Concilie van Trente kregen we ook Vlaamse bisdommen! Onze provincies werden op verschillende manieren omschreven. De Bourgondische Kreits werd met ‘de Nederlanden’ omschreven, maar buitenlanders gebruikten verschillende termen, dat een mogelijke verwarring rond de naam Vlaanderen kan bewijzen. . Beroemd zijn natuurlijk de boeken van de Italianen Antonio de Beatis en Ludovico Guicciardini en de omschrijvingen ‘magna bassa, Fiandre en Paessi Bassi’. De Spanjaarden, waaronder o.a. Alonso Vaazquez, spraken over ‘ los Paises Bajos o Galia Belgica’, dat in de volksmond Flandes werd genoemd. Ook ‘Flandra’ werd gebruikt. Andries de Smet schreef een ‘Excellente Cronicke van Vlaenderen’. Een tweetalig boek, gedrukt in Antwerpen, heette ‘ Vocabulair pour apprendre romain et flameng’. Vocubulaar om te leeren wamsch ende vlaemsch en een zestalig woordenboek, gedrukt in Parijs in 1546, vermeldde het ‘Flamang’. Frans Hogenberg ontwierp een wereldberoemde kaart met de afbeelding van de ‘Leo Belgicus’. Vele bekende componisten en kapelmeesters waren Vlamingen. Denken we maar aan de naam van Karels hofkapel, ‘la capella flamenca’ en de componisten Josquin des Prés en Antoine Busnois, die respectievelijk in Condé-sur-Escaut (dus Henegouwen) en in Béthune (dus Vlaanderen) geboren waren. Maar ook artiesten buiten onze streken werden als ‘Fiamminghi’ omschreven, zoals Simone Hardi die van Luik afkomstig was.

 

Helaas was Karels zoon Filips niet in onze streken opgevoed en dus niet Dietssprekend. Hij was superkatholiek, onverdraagzaam en absolutistisch. Na zijn vertrek in 1549 werden onze streken niet meer door een vorst bewoond. Hun plaatsvervangers of landvoogden- gouverneurs zetelden in onze streken, lieten oude instellingen zoals de Staten-Generaal niet meer samenkomen, pasten een verdere centralisering toe en gebruikten onze streken als een belangrijk wingebied. De Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden gingen door het fanatisme onherroepelijk uit elkaar. Onze provincies verloren de belangrijkste intelligentsia en de grootste kapitaalkrachtigen en geraakten ontvolkt en zwaar verpauperd. Wolven zwierven er rond! Tot overmaat van ramp verscheen Frankrijk opnieuw als onze grootste vijand op het toneel en werden onze gewesten meermaals het oorlogsslagveld van de toenmalige grootmachten. Door diverse vredesverdragen kwam zelfs 1/3 van ons gebied in handen van het Franse koningshuis. De Rijn was voor hen immers één van hun natuurlijke staatsgrenzen! Ondanks de armoede gaven onze gewesten blijk van vitaliteit en werkten onze bevolking er zich weer bovenop. Frans en Latijn waren de talen van de diplomatie en voor de wetenschappers. Toch bloeiden de rederijkerskamers. Ze organiseerden landjuwelen. Ze bekommerden zich ook om de zuiverheid van de taal en bestreden leenwoorden uit andere talen. Voorbeelden hiervoor zijn Jan van Mussem en de minderbroeder Jan van de Werve. Simon Stevin, gevlucht naar het Noorden, bewees in 1608 dat het Nederlands ook een wetenschappelijke taal kon zijn en vond met zijn boek ‘Wisconstige Gedachtenissen’ het woord ‘wiskunde’ uit. Boekdrukkerijen floreerden. Landjuwelen in Frans-Vlaanderen werden in het Nederlands gehouden. De Barok bloeide. Tot in de Oostenrijkse tijd werden de inwoners van de Zuidelijke Nederlanden ‘Flamands’ genoemd en tot ca. 1800 bleef het Vlaams de taal van de burgerij. In Gent verscheen ‘den Vlaemschen indicateur of te aanwijser der wetenschappen en vrije kunsten’ en Jan Baptist Verlooy schreef in 1788 zijn ‘Verhandeling op d’onmacht der moederlyke tael in de Nederlanden’. De dood van de kinderloze Karel II zorgde voor de overgang naar de Oostenrijkse Habsburgers, nieuwe oorlogen en armoede. Na 1748 keerde het tij. Onze gewesten kregen het dichtste steenwegennet van Europa! Verbeteringen in de graanteelt en invoeren van nieuwe gewassen, zoals de aardappel, vlas en katoen zorgde voor een bevolkingsexplosie. De cultuur kende een reveil. Het was echter ook het begin van een verder oprukkende industrialisatie en een steeds groter wordende kloof tussen arm en rijk. Jozef II had eerst met de gedachte gespeeld ons lastig gebied aan Frankrijk aan te bieden. De toenmalige Franse Minister van Buitenlandse Zaken, Charles Granvier weigerde echter om een nog steeds onverklaarbare reden. Jozef gooide het nadien over een andere boeg en startte allerlei hervormingen op. Zijn verlichte despotisme lokte hevige reacties uit en leidde tot een ‘Etablissement du Congrès Souverain des Etats Belgiques Unis’ en het uitroepen van de ‘Republiek der Verenigde Nederlandse Staten’, waarbij elk gewest soevereiniteit zou krijgen en de gemene belangen in het Congres (een verderzetting van de oude instelling, de Staten-Generaal) zouden besproken worden. Dit staatje heeft het amper één jaar uitgehouden. Onze gewesten werden nadien twee maal bij Frankrijk ingelijfd. Deze twee fasen van ‘ bezetting’ zijn ook een tijd geweest van uitbuiting, uitmelking en plundering. We werden - na 60 jaar tijd 7 maal van vorst veranderd te zijn - een deel van de departementen van ‘Lys et Escaut’. We kregen o.a. een compleet andere administratie, matenstelsel en muntsysteem. Het Frans werd de officiële bestuurstaal en de taal van de middenstand. We hadden ook Franse bisschoppen. Nadien volgde een hereniging met de Noordelijke Nederlanden. De oude 17 Provinciën waren opnieuw verenigd en een vrijheid van godsdienst werd gewaarborgd. De protestantse vorst Willem I werd door allerlei factoren echter niet aanvaard en onze gewesten scheurden zich af. Voor velen zijn de Hollandse tijd en het begin van de Belgische tijd perioden van uitbouw van een ‘artificiële staat’ geweest. Het land werd bewust als een bufferstaat en een neutraal gebied ineengeflanst op wens van de internationale diplomatie, om de grootmachten ten opzichte van Frankrijk veilig te stellen. Volgens Talleyrand kon het land zelfs niet lang bestaan omdat het bestond uit een te groot samenraapsel van verschillende volkeren. Het Frans was de inmiddels dominante taal geworden in het Zuiden, bij de hoge standen, de burgerij en de pers. Vlaams was de taal van het ‘lage’ volk, dus een dialect, werd enkel in de keuken en in herbergen gesproken en dus minderwaardig. Toch werd er tot in 1830 over de regio rond Kleef (in Duitsland) als ‘Pruisisch Vlaanderen‘ gesproken.

 

Van verpaupering naar ontvoogding en een gemeenschap met internationale allures

Vlaanderen kende vanaf de onafhankelijkheid in de 19de eeuw een steeds grotere armoede, door de achteruitgang van de huisnijverheid en de ontwrichting van de landbouw. De enige industriële kernen waren Gent, Antwerpen en Sint-Niklaas. Wallonië beleefde dank zij de

verdere industrialisatie en een goed spoorwegen-en waterwegennet, een grotere welvaart.

Vlamingen weken massaal uit naar de steden en gingen werken in Noord-Frankrijk, Wallonië of hoopten een beter bestaan te kunnen opbouwen in de Nieuwe wereld. De staatsman Charles Rogier wenste slechts één taal te hebben en ‘alle belangrijke ambten aan Walen en Luxemburgers te geven’ en ‘het Germaanse of Vlaamse element uit te roeien’. De 19de eeuw is echter ook de periode van vele protesten en petities geweest. In 1844 werd er al een krant ‘Vlaemsch België’ gedrukt. In 1840 en 1856, naar aanleiding van de viering van 25 jaar regering door Leopold I werden meerdere aanvragen tot herstel van de landstaal in bestuurs-, recht- en onderwijszaken ingediend. Er werd geijverd voor het gebruik van de Nederduitse taal in de openbare besturen en een grievencommissie werd door een Koninklijk Besluit mogelijk gemaakt. Door de val van de regering geraakte het plan echter opnieuw in de lade en werd er dus niets gerealiseerd. Verschillende onrechtvaardige ‘affaires’ in de rechtspraak tussen 1860 en 1871 brachten de noodzaak van degelijke taalwetten opnieuw ter sprake.

Het ijveren van Jan Frans Willems, kanunnik Jan Frans David, Gezelle, Eward Cooremans en

Albrecht Rodenbach liet vruchten na. De werken van o.a. de romanticus Hendrik of Henry Conscience (die een zoon van een soldaat van Napoleon was) en Emmanuel Hiel zijn ons alle bekend, maar ook Franstalige schrijvers zoals Verhaeren, Maeterlinck , van Lerberghe en De Coster waren Vlamingen. De elite was toen nog Franstalig. In 1896 en 1898 werd de gelijkheidswet van het Frans en het Nederlands in de wetgeving door de Kamer en de Senaat goedgekeurd. De taalstrijd zal een cultuurstrijd worden.

 

Een moeizame opgang en ontvoogding

Koning Albert was de eerste vorst die in 1909 een eed hield in de twee en dus de beide landstalen. Hij steunde de ontwikkeling van het Nederlandstalig onderwijs in Vlaanderen maar bleef een voorstander van de eentaligheid in Wallonië en de tweetaligheid in Vlaanderen. Kort voor het uitbreken van de eerste wereldoorlog zal een wet in 1914 het gebruik van de moedertaal in het lager onderwijs in Vlaanderen mogelijk maken. Tijdens de frontoorlog leidde de onrechtvaardige behandeling van de Vlaamse soldaten tot het ontstaan van de illegale Frontbeweging. Een open brief met wensen werd in juli 1917 naar de koning verstuurd maar kreeg geen gevolg. Zo groeide het verlangen om veranderingen af te dwingen bij de bezetter.Een Raad voor Vlaanderen werd opgericht en een regering gecreëerd. Bij de wapenstilstand waren de meeste activisten al gevlucht en werden anderen veroordeeld. Voor

de patriotten moest de strijd aangebonden worden tegen de Vlaamse Beweging en kregen de Vlamingen een slechte naam of werden ze als antibelgicisten aanzien. Na de eerste wereldoorlog werd verder werk gemaakt van een modernere wetgeving. De ‘Flamenpolitik’ tijdens de 2de wereldoorlog helpt de Vlamingen opnieuw geen stap vooruit . Integendeel, de woorden ‘Vlaming’ en ‘Vlaams’ krijgen een vieze bijsmaak van ‘fascistoïd nationalisme’. De Franstaligen hebben hier eindeloos op gehamerd. Gelukkig ging het tij ook langzaam keren.

 

Vlaanderen wordt Nederlandstalig en dynamisch en staat terug op de wereldkaart

Het onderwijs en de universiteit werden o.a. vernederlandst. Belangrijke figuren waren Van Cauwelaert, August Vermeylen en Herman Teirlinck. Men koos voor rationalisering in de verouderde industrie, voor vernieuwing en steun in nieuwe sectoren. De economie groeide. De koopkracht steeg. Het zelfvertrouwen steeg. De taalgrens en de taal- of cultuurgebieden werden vastgelegd. Enkel in Brussel was er tweetaligheid. Het principe van de cultuurautonomie vond ingang. Vijf grondwetshervormingen werden vanaf 1970 georganiseerd. Het werd een dure en ingewikkelde affaire en heeft zeer veel speeksel gekost. De Vlamingen en de Walen zijn ondertussen uit elkaar gegroeid en denken totaal anders over belangrijke aangelegenheden. De Vlaamse Gemeenschap bestaat nu uit Vlaanderen, Brabant en Limburg ( met delen van het oude prinsbisdom Luik) en reikt tot de Maas. Het moet het nu o.a. stellen zonder Zeeuws- en Frans-Vlaanderen. De hoofdstad is Brussel. Vlaanderen is zowel christelijk, vrijzinnig en islamtisch, telt andere geloofsgemeenschappen en nationaliteiten en heeft ca. 10 percent allochtonen. Auteurs zoals Timmermans, Claes, Elsschot en Claus schreven ‘wereldliteratuur’. Economisch werd Vlaanderen welvarend en is het gebied ook een internationale rol gaan spelen. Het kan misschien terecht ten volle bloeien in een netwerk van interstatelijke relaties en in een confederalisering. Vic de Donders’ studie bewijst duidelijk dat Vlaanderen zich nooit uit een groter staatsgeheel heeft losgemaakt, zoals Luxemburg, Noorwegen, Ierland, Macedonië, Slovenië of Kosovo. Het heeft alles te danken heeft aan zijn werkijver, dynamisme, kosmopolitisme, openheid, verdraagzaamheid, integratiepolitiek en zijn fierheid op de eigen cultuur. De weg is lang en een pad met vele moeilijkheden geweest. Het was een weg van vallen en opstaan. De toekomst ligt nu open… Blijven dezelfde waarheid gelden?

 

Verdere informatie

Het boek telt 208 pagina’s. Het heeft een bijzondere kaft gekregen. We zien een gele leeuw op roodbruine of oranje achtergrond, afgebeeld op een uitgevoerd Vlaams tegeltje. Deze tegels werden in massa geproduceerd in Poperinge en tot in Franse kastelen verwend als sierornament. Het boek is ingedeeld in 16 hoofdstukken en een naschrift. Het bevat ook een uitvoerige bibliografie, een lijst van landsheren en een alfabetisch register van namen. Het kost 24, 95 euro. Het Isbnnr is 978- 90 5826- 498-5.

 

Andere tip:

Wie aan dit boek nog niet genoeg heeft en verder wil gaan lezen over de termen België, Vlaanderen en Fiamminghi raden we ook het zeer interessante boek ‘Het vette en het vrome -Vlaanderen in de Europese literatuur’ aan, geschreven in 2001 door prof. Marcel Janssens en eveneens bij het Davidsfonds gepubliceerd.

 

 

<terug naar boven>

Vlaamse retabels. Een boeiende wereldreis langs laatmiddeleeuws beeldsnijwerk.

 

In binnen- en buitenlandse musea en kastelen hebben tal van Vlaamse wandtapijten en schilderijen van Vlaamse schilders een ereplaats gekregen. Onze gewaardeerde polyfonisten schreven indrukwekkende muziekstukken voor hofkapellen, die nu nog worden opgevoerd. Vlaanderen had ook zeer vakkundige beeldsnijders, kleynstekers en andere gespecialiseerde ambachtslieden. Samen werkten ze aan een ander topproduct, het retabel. Deze poppekasten of ‘outaertafels’werden in alle uithoeken van Europa verspreid. Thans zijn er nog een 300tal bewaard in 20 verschillende landen.

 

 

Een open en ‘exotisch’ boek voor ongeletterde- originaliteit en snelle aanpak- Een groter scala van onderwerpen en een bijdrage tot prestige-

Zowel in de vroegere kunstfasen als in onze hedendaagse cultuur is het ‘beeld’ belangrijk. In ons middeleeuwse en christelijk Europa had ‘het beeld’ naast een esthetische een overwegend didactische rol. Retabels werden uit verschillende materialen en uiteraard niet alleen bij ons gemaakt. Voor de ‘mennekensaltaren’ in de Nederlanden waren er al in de 15de eeuw méér dan 13 verschillende centra actief. Ze waren gemaakt uit hout en voorzien van beschilderde luiken. Belangrijke elementen waren de hoge kwaliteit, detail zin en het uitgesproken realisme en originaliteit van de scènes. Na 1480 werden de altaarstukken complexer, groter en indrukwekkender. De luiken werden een ingenieuze reeks en in de kasten bevonden zich een overvloed aan scènes en beeldjes. Allerlei religieuze themata, zoals feiten uit het leven en lijden van Christus, figuren uit het Oude Testament, voorouders van Maria en Sint-Anna en elementen uit apocriefe teksten of de beroemde ‘Legenda Aurea’ (encyclopedie van heiligenlevens) van J. da Voragine werden met elkaar gecombineerd. Volgens bewaard gebleven contracten en andere archiefdocumenten waren onze retabels ook zeer snel klaar. Zo moest het St-Stefanusretabel in Korbeek-Dijle op 5 maand gemaakt zijn en werden in de kerken van Xanten en Kempen ‘Vlaamse’ retabels in een recordtijd geleverd. Dit in tegenstelling tot de andere, lokale Duitse altaarstukken, waar men soms 17 jaar aan bezig was. We spreken trouwens beter over ‘Brabantse’ retabels. De 3 belangrijkste productiecentra in onze gewesten waren Brussel, Antwerpen en Mechelen of 3 steden van ons oude hertogdom. Men had 3 verschillende klantengroepen. De Brabantse retabels kunnen ook in 3 grote groepen onderverdeeld worden: Passie-, heiligen- , huisretabels en Besloten Hofjes. De uitgebeelde themata pasten perfect op een altaar van een kathedraal, een klooster- of parochiekerk, een zij- of bidkapel van een ambacht, broederschap, vereniging of rederijkerskamer, burgersgezin of een kasteeleigenaar. Het Passieverhaal kon overal geplaatst worden. Dit verklaart waarom ¾ van onze bewaarde retabels aan dit onderwerp zijn gewijd. Bij elke misviering wordt immers de dood van Christus op het altaar herdacht. De tweede grootste groep zijn de Maria- en de Sint-Annaretabels. Het leven van Maria is verweven met het leven van Christus. Sint-Anna kreeg als aanverwante van Maria een grote verering vanaf 1480. Heiligenretabels kunnen dus het leven van 1 heilige uitbeelden. Ze werden soms ook aan meerdere heiligen gewijd, waardoor de schenker of de vereniging die ze liet maken voor ‘eeuwig’ bekend bleef. Ook huisretabels kunnen gevuld zijn met meerdere heiligenbeelden. Besloten hofjes waren een Mechelse specialiteit en vooral gebruikt in begijnhoven en vrouwelijke kloosters. Onze Brabantse retabels werden de gegeerde concurrenten van Engelse beeldsnijwerken in albast. Ze waren in het buitenland even ‘exotisch’. Hun aanwezigheid droeg ook verder bij tot een groter prestige van de gebedsruimte, de kerkfabriek, de schenker of de privé-eigenaar.

 

Specialisatie versus gestandaardiseerde massaproductie- Onderlinge concurrentie en toch samenwerking-

Net zoals bij de wandtapijten leverde Brussel maatwerk, dus retabels op bestelling en conform specifieke wensen. Opdrachtgevers wilden ook het leven van een apostel , van martelaars en noodhelpers, van de patroonheiligen van ambachten of gilden of van vrouwelijke heiligen of martelaressen uitgebeeld zien. Heiligenretabels zijn daarom in Brussel gemaakt. Bekende voorbeelden in ons land zijn het Sint-Joris-, het Leonardus-, het Crispien-en Crispianus- en het Sint-Jobretabel, bewaard in de KMKG en de kerken van Zoutleeuw, Herentals en Retie. Zeer populair waren de H. Catharina, H. Dymfna en H. Ursula. Dymfnaretabels bevinden zich zowel in de gelijknamige kerk van Geel als in het Duitse Sonsbeck; een groot Ursularetabel is aanwezig in het Zweedse Vastera en een ‘complexe’ retabel met de heiligen Lambertus, Jacobus en Antonius abt in de Duitse kerk van Kempen. De meeste en de grootste Passieretabels zijn in Antwerpen gemaakt. Probeerde Antwerpen misschien zijn concurrent Brussel te overtroeven? Door verder onderzoek blijkt dat Passieretabels niet automatisch aan Antwerpen mogen toegeschreven worden, als ‘massaproduct’. Ze werden al vanaf het einde van de 14de eeuw gemaakt en ook in Brussel. Antwerpen werd als havenstad de belangrijkste handelsscharnier. Sinds 1460 was er een overdekte marktplaats, waar kant en klare retabels verkocht werden. Dit pand bevond zich bij de kerk en het klooster en heette het Onze-Lieve-Vrouwepand. In 1481 werd er een contract afgesloten met Brussel en was gedurende minstens 34 jaar een ‘zekere’ tentoonstellingsplaats voor Brusselse retabels gegarandeerd. Het hoeft ons dan niet te verwonderen dat tientallen retabels uit Antwerpen en Brussel terecht kwamen in Noord- en Zuid-Italië, Estland en Finland. Van de 270 bewaarde retabels in Zweden zijn er 38 uit Brabant. Hiervan zijn er 21 van Antwerpse en 15 van Brusselse makelij. Documenten bewijzen dat het transport gebeurde via het water. Ander archiefonderzoek bewees dat de nog aanwezige Brabantse retabels in Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk en Polen vooral via landwegen of via een combinatie van water-en landwegen naar hun bestemming werden gebracht. Zo zijn er unieke gegevens beschreven, i.v.m. het transport en de kosten van een retabel van de Antwerpenaar Adriaen Van Overbeke. Het is thans te bewonderen in het Duitse Kempen. Het retabel werd kant en klaar vervoerd. De meester reisde zelfs mee. In de Sint-Petruskerk van Dortmund staat het allergrootste Passieretabel. Het heeft 58 scènes en een hoogte van 5, 65 m, en de luiken een breedte van méér dan 7 m. In Duitsland zijn er nog een 100tal en in Frankrijk een 40tal Brabantse retabels bewaard. In Frankrijk waren de opdrachtgevers soms hovelingen van onze Bourgondische hertogen. Een prachtig stuk is te zien in de kerk van Ambierle.

 

Betere kansen in het buitenland- Het belang van een haven, verbindingswegen en goede handelsrelaties

Vanaf het einde van de 15de eeuw trokken verschillende schilders en ambachtslui weg. Ze gingen werken voor opdrachtgevers in Portugal, Madeira, de Azoren of Castilië en Aragon. Bekend zijn vader en zoon Gil en Diego de Siloë, afkomstig van Antwerpen en actief in o.a. Burgos en Valladolid. In de kathedralen van Sevilla en Toledo werkten Vlaamse, Spaanse en Duitse vakkundigen samen aan metershoge retabels, die volledige koorwanden vulden. Retabels bestaande uit een indrukwekkend geheel van beelden, gebeeldhouwde scènes en schilderijen, vervaardigd onder de leiding van o.a. Pieter Dancaert en Juan Peti. Onze meesters hebben zelfs in het Iberishe schiereiland de kunst beïnvloed. De retabelkunst bleef er tot in de 18de eeuw beoefend. Bij ons was er al lang een andere mode en stijl in voege. De rol van een havenstad zoals Antwerpen, het belang van handels- en hofrelaties en de aanwezigheid van handelsnaties is evident. Enkele documenten vermelden zelfs kooplieden, die zowel tussenscharnier, borgsteller en opdrachtgever waren. Dit waren o.a. de Antwerpenaar Dierick Proudekin en Claes Backer uit de Poolse Hanzestad Gdansk.

 

Schaarse “besloten hofjes-

Al eerder werd verwezen naar de Mechelse specialisatie, naar huis- of privé-retabels en de ‘besloten hofjes’ De oudste zijn uit de 15de eeuw. Ze zijn klein, tussen 12,5 en 34 cm groot. De huisretabels zijn ingedeeld in 3 compartimenten en meestal gevuld met 3 heiligenbeeldjes. In de retabelkast was achteraan een glasraam geïmiteerd. De ‘besloten hofjes’ waren zeer gevulde kasten en een imitatie van een tuin. Hierin bevonden zich allerlei dingen, gaande van relieken tot juwelen, amuletten, edelstenen, bloemen en vogels uit stof of metaal, wassen medaillons, een houten hekje op de voorgrond. Bij vrouwelijke religieuzen was toen de mystieke beleving belangrijk. Mechelse retabels komen zelden voor buiten onze landsgrenzen. Zeven bleven bewaard en zijn samen tentoongesteld in het Stedelijk Museum ‘Schepenenhuis’ te Mechelen, afkomstig uit de collectie van de Gasthuiszusters. Een is te zien in het Antwerpse museum Mayer Van den Bergh en in de kooromgang van de Sint-Dymfnakerk van Geel. Twee zijn aanwezig in Zweden, één bevindt zich in het Londonse Victoria en Albertmuseum en 6 exemplaren werden in de Sint-Nikolaïkirche van het Duitse Kalkar samengevoegd in 2 predella’s. Ze staan nu al eeuwen als basis onder 2 lokale, Rijnlandse retabels.

 

De ondergang vanaf 1560- Een nieuwe interesse en heropbloei vanaf de 19de eeuw

Na 1560 was het retabel ten dode opgeschreven. Ervoor was er al een voorkeur gegroeid voor louter beschilderde retabels. Voorbeelden zijn de indrukwekkende gehelen van H. Memling, Q. Metsijs, Barend Van Orley of het Terdillaretabel, gemaakt door Sanders van Hemessem en dochter Catharina, thans tentoongesteld in Cincinnatti. Vanaf 1530 werden gepolychromeerde stenen retabels geliefd. Ze waren gemaakt uit albast, natuursteen en ivoren beeldjes. Mechelen werd onder impuls van onze Habsburgse gouvernantes een centrum van albastbewerking. Dergelijke retabels van hofbeeldhouwer Jan Mone zijn nog steeds te zien in de Brusselse kathedraal of Halse basiliek. De Reformatie kreeg vanaf ca. 1520 in Europa een steeds grotere aanhang. Heiligenbeelden en retabels werden niet meer gedoogd. De beeldenstorm woedde in vele landen, zorgde voor beschadigingen of deed vele retabels verdwijnen. In de Antwerpse kathedraal bleef er maar 1 retabel over! Alleen in Zweden hebben vorsten, zoals Gustav Wasa en Christiaan II, die pro Luther waren, een opmerkelijke visie gehad. Onze retabels bleven in de grote kerken beperkt aanwezig; de rest werd weggehaald en opgesteld in plattelandskerkjes. Een beschermende ordonnantie uit 1560 beschreef het retabel als ‘werk van mensen’ en ontdaan van een gewijd karakter. Zo bleven onze retabels ongemoeid! De katholieke Kerk ging zich grondig bezinnen en de Contrareformatie zorgde voor een nieuwe kunststijl. Barokke portiekaltaren met tabernakels verschenen op het altaar. Retabels werden ontmanteld, verplaatst, uit elkaar gehaald en in nieuwe constructies geplaatst. In het Oostenrijkse Landesmuseum van Bregenz en de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Ophoven in Duitsland zijn retabels of - fragmenten verwerkt en 2 m hoger geplaatst, omgeven door een nieuwe barok-of rococo-omlijsting Ook de Franse revolutie zorgde voor een flinke opdoffer. Retabels werden naar Frankrijk verhuisd voor het nationale museum. Veel ging verloren. In de 19de eeuw kwamen bij hun terugkeer uit Frankrijk retabels soms in een andere, dus nieuwe locaties terecht. De neogotiek zorgde echter gelukkig voor een heropbloei van de retabelproductie. In Engeland werd door de ‘relief of Act’ het katholicisme en het retabel weer toegelaten. De KMKG van Brussel verwierven op amper 70 jaar tijd een indrukwekkende collectie. Tussen 1844 en 1911 verwierven Rousseau en Destrée 10 retabels. De KMKG heeft dan ook de grootste collectie retabels van ons land. De verdere ontwikkeling van de kunsthandel zorgde voor verdere verspreiding in het buitenland. Brabantse retabels zijn nu te bewonderen in musea van Melbourne, Ontario en Cincinnatti, maar waren oorspronkelijk verworven door privé-verzamelaars In de 19de eeuw werd ook gestart met herstellingen en met restauratie. Helaas werden veel retabels afgeloogd, herbeschilderd, opnieuw verguld en in nieuwe kasten geplaatst. Luiken verdwenen. Retabels werden ook aangevuld met andere en jongere elementen. Een typisch voorbeeld hiervoor is te zien in het Kasteel-museum van Gaasbeek.

 

Behoud, beveiliging en inventarisatie- Ondanks internationale samenwerking nog vele vragen

Vanaf de 20ste eeuw is er een nieuwe filosofie op het vlak van restauratie en behoud gegroeid. Herstellingen worden nu tot een minimum beperkt. Toevoegingen worden vermeden. Waar mogelijk, worden overschilderingen en nieuwe verguldingen verwijderd. Restauratie is steeds tijdsrovend, arbeidsintensief, duur en vereist een goede samenwerking tussen verschillende specialisten. Speciale labo’s en resultaten van wetenschappelijk onderzoek dragen bij tot een beter onderkennen van het probleem. Kunstscholen kregen gespecialiseerde afdelingen. Universiteiten en instellingen zoals het KIK stuurden studenten en experten erop uit. Dossiers werden aangelegd, foto’s verzameld en inventarissen aangelegd. Een restauratie heeft evenwel geen zin als de bewaarplaats van het retabel niet beveiligd is. Onze-Lieve-Vrouw-Lombeek en Hakendover werden door kunstdieven opgezocht; de kerken zijn nu voorzien van een alarminstallatie. De kennis over het retabel werd over onze landsgrenzen steeds verder verspreid, dank zij diverse soorten publicaties, symposia, tentoonstellingen en studiereizen. Pas recent kwam men tot de bevinding dat groefmerken op de rugzijde géén merktekens van houthakkers maar eigendomtekens van houthandelaars zijn. En dat in onze streken vooral Baltisch eikenhout werd gebruikt. Vele vragen blijven echter nog onopgelost. Bestonden er al in de ateliers modellen of tekeningen, ontworpen door kunstenaars? Wat waren precies de drijfveren om een retabel te bestellen? Waren er ook al vertegenwoordigers in het buitenland? Waarom werkten ambachtslui uit verschillende steden samen in plaats van eigen stadsgenoten in te schakelen?

Het lijvige boek: ‘’Vlaamse retabels- een internationale reis langs laatmiddeleeuws beeldsnijwerk’’ uitgegeven bij Davidsfonds/Leuven, is verdeeld in 10 hoofdstukken en in één adem uit te lezen. De 292 pagina’s werden passioneel door 2 vakspecialisten geschreven. Ria De Boodt en Ulrich Schäfer hebben het ook voor de leek, voor de cultuurtoerist verstaanbaar gemaakt. De tekst werd met sublieme, digitale detailopnamen van kunstfotograaf J. Geleyns aangevuld. Het boek is, net zoals het retabel, een indrukwekkend kijkverhaal. Het kost 64,50 euro en het ISBNnr is 978- 90- 5826- 485- 5.

 

<terug naar boven>

 

Alle wegen leiden naar Rome.

 

Hoe het reizen doorheen Europa belangrijk werd.

 

Deze titel werd gegeven aan zowel een verrassende expositie (nog tot 27/01/2008 in het Museum van Elsene te bezoeken) als een boek, uitgegeven door het Mercatorfonds i.s.m. Europalia. Dominique Vautier, zowel auteur als tentoonstellingscommissaris, heeft een gedurfde en boeiende ontdekkingsreis uitgewerkt doorheen 300 jaar Europese kunstgeschiedenis en doorheen het rijke Europa met zijn gevarieerde landschappen, volkeren en culturen. De geselecteerde werken dateren van de 16de tot de 19de eeuw. Zowel teksten van grote schrijvers, zoals Erasmus, Karel Van Mander, Goethe, Stendhal en Dupaty als van gewone reizigers of adellijke personen, waaronder Lord Byron en Lady Morgan zijn voor het eerst geconfronteerd geworden met een 200tal schilderijen en grafische werken. Op de expo zijn zowel creaties van beroemde kunstenaars, waaronder onze Fiamminghi Paulus Bril en H. Cock, P. Bruegel I en A. Grimmer, de Nederlandse landschapsschilders Van Goyen en Van Ruysdael, Fragonard en Dürer als minder bekende artiesten uit het buitenland te bewonderen.

 

Zowel op de expo als in het boek komen allerlei aspecten aan bod. De redenen van het reizen, de soorten transportmiddelen zoals postkoetsen, privé rijtuigen, trekschuiten of paarden…), de angsten en de gevaren onderweg, het wisselende weer, vervelende ontmoetingen, de rompslomp bij de tolbeambten en de ontgoochelingen over het armtierige logies of de plaatselijke kost want niet iedereen kon zijn eigen kok meenemen. De reis speelt zich af van het Noorden naar het Zuiden. Op de eindbestemming aangekomen, waren de indrukken vooral positief. Men vond er in de steden Venetië, Rome en NAPELS de gewenste rust en men had er vooral oog voor de opmerkelijke resten van oudere en geniale beschavingen. De expo in Elsene werd nog aangevuld met een 200tal objecten. Zo zijn er noodzakelijke documenten, waaronder kaarten, paspoorten, aanbevelings- en wisselbrieven te zien.

Of nuttige reisobjecten, zoals kompassen, weegschalen, crucifixen, koffers, reisgidsen

en een heuse reisapotheek. Ook maquettes van schepen en rijtuigen werden niet vergeten. Een expogidsje, in het Frans en het Nederlands, wordt verkocht aan 1 euro. Het vlot te lezen boek is in feite méér dan een tentoonstellingscatalogus. Het werd uitgegeven door het Mercatorfonds, telt 256 pagina’s, is ingedeeld in verschillende hoofdstukken en rijkelijk geïllustreerd met een 80tal kleuren- en een 10tal zwartwitillustraties. Het kost 25 euro.

Voor al diegenen die naar Italië reisden of met Toegico onlangs Napels bezocht een MUST!

Er zijn zowel werken van de schilder G.A. Van Wittel of Vanvitelli, doeken van de Franse artiesten Vernet, H.Robert en Vollaire opgenomen, met zichten op de Vesuvius of de Golf van Napels. Een interessant documentair en topografisch werk is van de hand van Sain, waarbij vrouwen te zien zijn, ingeschakeld bij de opgravingen en de modderontruiming van de steden, bedolven door de Vesuviustuitbarsting bij Napels.

 

 

<terug naar boven>

Licht en verlichting, een uitgave van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

 

Naar aanleiding van de Open Monumentendagen Brussel bracht het het Brussels Hoofdstedelijk gewest opnieuw een zeer interessant boek op de markt. Het boek telt 171 pagina’s, is rijkelijk geïllustreerd en bestaat uit een voorwoord, een inleiding en 6 thematische hoofdstukken. Enkele interessante gegevens werden hieruit voor U gedistilleerd.

 

Van duisternis naar een zee van licht

Eeuwenlang was het ritme van het leven bepaald door de afwisseling van zon en maan of van dag en nacht. Door de uitvinding van kunstlicht, dat vanaf de 19de eeuw ons leven steeds meer en meer binnendrong, werd verder werken na het vallen van de avond, later eten en gaan slapen en op stap gaan tot na middernacht mogelijk. De stad was vroeger gevaarlijk. Op alle mogelijke manieren heeft de mens geprobeerd de duisternis te bestrijden. Pas in het eerste kwartaal van de 19de eeuw kreeg Brussel- en dus later dan in andere steden, zoals London en Parijs- een openbare gasverlichting. De Société Civile Meeus en Co, opgericht tijdens de regering van koning Willem I der Nederlanden, was hiervoor verantwoordelijk. De eerste fabriek op het Europese continent bevond zich in de Sint-Rochusstraat en ging in werking vanaf 1819. Nadien- tussen 1840 en 1870 - ging de stad scheep met La Compagnie Continentale et Impériale. Aan het Kanaal werd , op grondgebied van Laken, een grote gasfabriek gebouwd die in werking bleef tot na de Tweede Wereldoorlog. Brieven van toeristen en lovende in kranten vanaf 1840 vertellen ons interessante dingen. Bepaalde straten in het centrum en de Sint-Hubertusgalerijen waren toen al vol toeristen, aangetrokken door de heerlijkheden van licht. De Brusselaar verkoos het gaslicht boven het zonlicht. Ondanks de waarschuwingen van artsen tegen verkoudheden en van de geestelijkheid tegen losbandigheid werd het college van burgemeester en schepenen overstelpt door aanvragen. Brussel liep echter snel zijn achterstand in en koos, in het laatste kwartaal van de 19de eeuw, voor 2 bronnen van verlichting- m.a.w. voor een typisch ‘Belgische oplossing’. Edison had in 1880 een octrooi op de elektrische gloeilamp –met een gebruiksduur van 25 uur- in 1880 verworven. De stad koos voor elektriciteitsverlichting in 1882. Bepaalde buurten en openbare gebouwen werden met deze nieuwe techniek uitgerust, zoals de Muntschouwburg, het Parktheater, het Rogierplein en de Grote Markt. Elektriciteit werd ook benut voor feestverlichting. In 1892 werd de Société Bruxelloise d’Electricité opgericht. Een eerste stoomfabriek bevond zich in de Melsensstraat. Wat later werden het Solvayhuis en de sjieke Louizalaan door een extra centrale in de Verlaatstraat (het huidige Civa) bevoorraad. In 1906 werd een extra centrale aan de Werkhuizenkaai gebouwd. En ook kleinere, particuliere centrales werden opgericht. Het kunstlicht drong definitief de woningen, winkels, magazijnen, vrijetijdsgebouwen en werkruimten binnen? Brussel groeide uit tot ‘klein Manchester’ en ook de leefwijze van de mens werd totaal veranderd. Elektrische verlichting schiep de donkere middenkamer of de ‘eetkamer ‘ op in een zee van licht. En één simpele druk op de schakelaar volstond… om de ruimte met licht te vullen, zelfs al werd de indeling van het huis door elkaar gehaald en er leidingen doorheen de kamers werden gelegd! In de ‘20er jaren werd een overeenkomst getekend tussen de stad en de unie van centrales van de provincie Brabant, Interbrabant. De nieuwe booglampen met brede stralen, neonlicht en peervormige lampen werden de geliefde elementen van de Art Décotijd. Enkel de wereldoorlogen zorgden voor het instellen van een avondklok en voor lichtbeperkingen. De handelaars in de Nieuwstraat beslisten in 1948 om een feeëriek lichtspektakel te organiseren tijdens de eindejaarsfeesten. Het werd een overrompelend succes: duizenden klanten en toeristen werden naar de hoofdstad gelokt, terwijl in buitenlandse steden de afgunst groeide. Het verlichtingscircuit werd steeds langer, fraaier en bereikte een absoluut hoogtepunt tijdens de Wereldtentoonstelling van 1958. Na het intensief gebruik van licht is een andere omgang met licht een nieuwe uitdaging.

 

Technische weetjes- het belang van glas - licht in arbeidsplaatsen

Toortsen, kaarsen, olie- of vetlampen, petroleum- en gaslampen werden eeuwenlang gebruikt maar waren niet erg praktisch. Kaarsen werden gemaakt uit verschillende materialen en hadden verschillende nadelen. De waskaarsen uit bijenwas geurden lekker, waren duur en konden slechts door de rijken en de geestelijken gekocht worden. Een ander materiaal waarmee men kaarsen maakte was dierlijk vet of talg (van schapen of runderen). De pit was wel uit katoen, wat voordelig was maar het vet smolt snel, waardoor de kaars gevaarlijk was. Ze gaf ook een geel en rokerig licht. Vanaf 1839 kwamen er kaarsen van stearine op de markt, die helaas een minder sterk lichtvermogen hadden. Olielampen moesten bijgevuld worden, waarbij gemorst kon worden. De wiek moest afgesneden worden en kon verkolen. De olie kon ook stollen en de lampen moesten ook regelmatig opgepoetst worden. Gaslampen zorgden voor een geur en voor bevuiling, nl. voor roet. De uitvinding en de verbetering van de olielamp is te danken aan 3 belangrijke stappen en meerdere personen. Als eerste dient de Zwitser Argand vermeld te worden, die een lamp uitdacht met lampenkousje en glazen schoorsteen. Na het verwerven van een patent werd zijn systeem reeds in Londen in 1783 toegepast. Helaas verloor hij door de Franse Revolutie alle voorrechten en haalde hij nadien ook de woede van andere concurrerende, Franse beroepslui op de hals. Hij is vergeten en in armoede in Génève gestorven. Een tweede, belangrijke persoon was de Fransman Quinquet, die zich het procédé van Argand had toegeëigend en wiens familienaam later voor de huishoudelijke olielamp werd gebruikt. Tenslotte werden een pomp en een olietank aan deze lampen toegevoegd, waardoor het licht kon gestabiliseerd worden. Ook de technische verbeteringen in de gasproductie hebben het gebruik van olielampen in de hand gewerkt. Glas werd al in de antieke Oudheid gebruikt en werd vanaf de 16de eeuw in ons land gemaakt. Het productieprocédé, nl. het maken van cilinderglas bleef eeuwenlang hetzelfde en het glas was tot ca. 1875 beperkt van grootte. Het gebruik van cokes, van een bekkenoven door Baudoux in Jumet en een Fourcaultinstallatie in Damprémy zorgden voor een grote ommekeer. De voordelen waren besparing van brandstof, vermindering van handenarbeid en dus lagere kosten en een grotere productie. Het Henegouwse glas kreeg wereldfaam. Ijzer, staal en glas werden dé materialen in de moderne bouwkunst en zorgden ook voor lichtoases in werkruimten, vervoersgebouwen, vrijetijdsruimten, warenhuizen en burgerwoningen.

 

Het belang van licht in artiestenateliers

De geniale Da Vinci heeft reeds in zijn Tractaat over schilderkunst, geschreven rond 1490, het essentieel belang van een goede lichtinval en het gebruik van een katrollensysteem voor verplaatsingen van kunstwerken in het atelier verdedigd. Schilders hebben ook in hun werken de eigen werkruimte of het atelier van een collega in beeld gebracht. Denken we maar aan Rembrandt. Vanaf de 19de eeuw zijn er ook foto’s over kunstenaarswoningen en –ateliers beschikbaar. Een raam, gericht op het Noorden, geniet de voorkeur. Vensters zijn voorzien van rolluiken, doeken en schermen. Beeldhouwers hadden zeer specifieke noden. Een atelier van een beeldhouwer was dus anders ingericht dan dat van een schilder. De aan- en afvoer van materialen en voltooide kunstwerken was belangrijk. Het atelier bevond zich daarom meestal op de benedenverdieping. Het was wegens stof- en geluidshinder ook gescheiden of op een grote afstand gelegen van de woonruimte. Sommige artiesten hadden een atelier in de buurt van hun woning. Efficiëntie en succes leidden tot een systematische indeling in het atelier en het ontstaan van bepaalde compartimenten. De ateliers moesten makkelijk bereikbaar zijn, dank zij een gang, die vertrok van de straatingang. Ateliers werden door het succes van de artiest soms later vergroot. Voorbeelden hiervoor zijn de ateliers van C. Samuel, de familie Salu in Laken en C. Meunier.

Minder begoede artiesten waren tevreden met een hoge en grote stalling. Dit was o.a. het geval bij de beeldhouwers J.Lambeaux en J. Lagae die een gezamenlijk atelier deelden in de Hollestraat te Sint-Gillis. De schilders verkozen echter in de onmiddellijke buurt van hun gezin of hun familie te werken. Daarom werd het atelier meestal ingericht op een hogere verdieping in de woning. Een groot raam of een ‘serregebouw’ aan de achterkant, een opvallende erker en grote gevelramen aan de straatzijde, al of niet verbonden met het dak, zijn hiervoor de belangrijkste aanwijzingen. Dergelijke woningen waren zowel aanwezig binnen en buiten het stadscentrum. Een opvallende reeks bevond zich vlakbij de spoorweglijn in de groene Leopoldswijk. Riante en opvallende artiestenwoningen met ateliers waren echter ook gebouwd bij de Congreskolom aan de Koningsstraat (woning en atelier Navez), in Schaarbeek ( atelier van Verboeckhoven en Gallait) en aan het Halfcirkelplein (de woning van J.B. Madou). De mooiste realisaties werden echter in de Art Nouveautijd gecreëerd. Het meest opvallende gebouw, helaas afgebroken, was het woon- en werkcomplex van Fernand Khnopff, gelegen aan de Renbaanlaan, in de buurt van het Terkamerenbos. Het was door Khnopff zelf ontworpen maar gebouwd door Pelseneer. De grootste Art Nouveau-architect, Victor Horta, heeft meerdere artiestenwoningen op zijn actief staan. Dit zowel voor zichzelf als voor minder kapitaalskrachtige, artistieke vrienden zoals de beeldhouwers P. Braecke, G. Devreese en P. Dubois. Alle woningen en atelierruimten zijn een ‘oase’ van licht. Maar ook Hankar, met o.a. de woningen Ciamberlani, Janssens en het eigen atelier in de Defacqzstraat en P. Cauchie waren op dit vlak actief. Ten gevolge van het belang van het pleinairisme en het gezonder leven op het platteland lieten artiesten, zoals Verwee en Courtens ook buitenverblijven bouwen of vestigden kunstenaars, zoals Servaes, Minne en Permeke zich ‘op den buiten’. Pareltjes uit de interbellumtijd zijn enkele minder bekende artiestenwoningen, zoals het huis van Geo de Vlamynck in de Schaarbeekse Grondwetstraat 7 en de woning van Oscar Jespers, ontworpen door Victor Bourgeois in de Erfprinslaan 149 te Sint-Lambrechts-Woluwe.

 

<terug naar boven>

 

De geschiedenis van de dorst

Een nieuwe Davidsfondsuitgave: ‘De geschiedenis van de dorst. Twintig eeuwen drinken in de Lage Landen’, door Raymond van Uytven

Drinken doet men in eerste instantie om de dorst te lessen. Volgens Plinius was de mens het enige wezen waarbij dorst een aanleiding tot drinken was. Drinken was een belangrijk symbool van solidariteit en samenhorigheid, gebeurde om gebeurtenissen te vieren of belangrijke afspraken te bezegelen en was ook een belangrijk offer- of welkomstgebaar

Wat, waar, hoe en hoeveel gedronken werd was verweven met allerlei factoren en dus verschillend volgens de locatie, de tijd, de status en de geesteshouding van de persoon. In dit nieuwe boek, dat 290 pagina’s tekt en 8 hoofdstukken bevat vernemen we van professor Van Uytven allerlei leuke weetjes.

In een eerste hoofdstuk wordt stilgestaan bij de invasie van wijn en bier. Wijn en bier zijn de oudste dranken van de mensheid en werden in het Nabije Oosten, meer bepaald in Mesopotamië, al vanaf het 9de en het 5de millenium gemaakt. Egypte en Libanon gingen eerst, nadien de Feniciërs, de Etrusken en de Romeinen het voorbeeld volgen. Wijnteelt geraakte in het hele Romeinse Rijk, tot in Engeland toe, verspreid. In de Romeinse tijd kwamen alle huidige, vermaarde Europese wijnregio’s - op 1 na- al tot ontwikkeling. De nieuwe heersers en de christenen bleven de wijn als belangrijke drank verder gebruiken. Talloze wetten, polyptieken of goedereninventarissen van abdijen, biografieën van bisschoppen en zelfs concilies houden verband met de wijnbouw. De locatie Saint-Denis bij Parijs groeide vanaf de 10de eeuw uit tot belangrijke wijn- en jaarmarkt. Onze abdijen in Gent, Luik, St-Hubert en Hoei bezaten al wijngaarden. Iin Brabant was de eerste realisatie te situeren in Leuven, waar op initiatief van Godfried met de Baard bij zijn burcht een wijnteeltterrein werd aangelegd voor 1120. Voor de bierproductie waren de Joden een belangrijke tussenschakel. Ze leerden het goedje tijdens de Babylonische tijd kennen en hebben het bij hun diaspora in de rest van de wereld verspreid. In heiligenlevens was er sprake van bierwonderen. De abdij van Sanct Gallen had 3 verschillende brouwerijen. Vanaf de 9de eeuw is meer informatie over bier. Vele abdijen bezaten al dorpsbrouwerijen in verschillende locaties. Bier werd gegeven als loon. De verschillende soorten waren gruitbier, honingbier en haverbier vermeld. Vanaf dezelfde tijd was er al hopbier in Bohemen en Hongarije. Steden gingen maatregelen nemen tegen het goedkopere bier, op het platteland gebrouwen. Het 2de en 3de hoofdstuk handelt over andere zwakke tegenstanders en nieuwe mededingers. Cider en mede waren de barbaarse dranken van Angelen, Saksen, Franken, Germanen en Kelten en als drank belangrijk geacht door Karel de Grote. De cider verloor vanaf de 12de eeuw aan populariteit, terwijl de mede als drank bij de hogere standen en de clerus belangrijker werd. In de Oostenrijkse periode geraakten ze in onbruik. Over water en melk zijn de bronnen zeer negatief en zijn er geen aanwijzingen van een groot verbruik. Water was enkel voor de beesten en melk voor de allerlaagste standen voorbehouden. De melk werd lang gebruikt als ersatz voor vlees, als een aanvullend voedingsmiddel van brood en werd daarom omschreven als ‘wit vlees’ of ‘viande du boc’. Melk genoot geen goede reputatie en in verband gebracht met allerlei fysische kwalen, zoals lepra en tandbederf. Nieuwe mededingers waren brandewij en alcoholische dranken. Via de Arabieren en de sxhool van Salerno en de Hollanders werd alcohol van wijn, vermengd met smaken, zoals anijszaad en salie, graanjenever en arak en rum in Europa verspreid. Het toenemende verbruik vanaf de tijd van Albrecht en Isabella en in de 18de eeuw leidde tot bedenkingen en overheidsmaatrgelen: ze mochten in Brussel niet uitgeschonken worden aan de processieweg! Andere nieuwkomers waren de exotische dranken van cacao, koffie en thee. De oudste schenkplaatsen en tapperijen waren in Antwerpen, Mechelen en Gent, in Brussel bestond er een zaak, uitgebaat door de Engelsman Jolly, gespecialiseerd in punch. Ook Mineraalwaters en limonades of citronades kenden een groot succes. Het water van Spa ondervond concurrentie van waters uit Tongeren, Bree, Chaudfontaine en Mariemont. Het biercultuur bleef vanaf de Oostenrijkse tijd de ‘koning van alle dranken. Diverse factoren zoals de toename en de verbetering van diverse aanvoerwegen (kanalen, steen- en later spoorwegen), een vrijere en grotere markt, gebruik van nieuwe materialen en werktuigen en een stijging van de koopkracht hebben daartoe bijgedragen. Het aantal herbergen kende tot in de 20ste eeuw een gestadige groei. In tegenstelling tot de Nederlanders zijn onze brouwersal vanaf de 18de eeuw begonnen met tappers aan zich te binden en te zorgen voor een grote, interne markt. Ook aan een schaalvergroting werd begonnen, door kleinere brouwerijen op te kopen. Het lage gistingsbier pils en andere soorten uit Duitsland werden dank zij de Wereldexposities van 1867 en 1880 meer geliefd. Vanaf 1877 werden ze nagebootst, door o.a. Bavarobelge en de brouwerij Wielemans, actief in Anderlecht en Vorst. Als reactie op het succes van deze soorten werden opnieuw speciale biersoorten, zoals abdij- , lambiek- en fruitbieren gemaakt. Het bierverbuik steeg verder na 1945; vanaf 1970 haalden de Nederlanders ons echter in, werden andere smaken, handiger verpakkingen, minder calorieën en een kleiner of arm alcoholgehalte de belangrijke vernieuwingen. Bij de jongeren was het stijging verbruik van fruitsappen, frisdranken en yoghurt opmerkelijk. De Belg is echter heel de geschiedenis door een kleine melk- en theedrinker gebleven!

 

ISBNnr 978- 90- 5826- 458 9-

 

<terug naar boven>

 

Schoonheid uit klei en cement

Erfgoedgids ‘Schoonheid uit klei en cement’- Vloer- en wandtegels in de provincie Antwerpen- Het belang van Brusselse en Antwerpse ateliers, door Mario Baeck-

Deze publicatie is het zevende nummer, uitgegeven door de Dienst Erfgoed van het provinciebestuur Antwerpen, i.s.m. Openbaar Kunstbezit Vlaanderen. Het boek telt 128 pagina’s, 9 hoofdstukken en 103 kleurenillustraties. Het belicht het meest onderschatte decoratieve medium van de architectuur en schetst zowel het ontstaan en het gebruik ervan in de geschiedenis van West-Europa. Dit keramische materiaal werd al vanaf 2700 jaar voor Christus, eerst in het oude Egypte en nadien in Mesopotamië en het Romeinse Rijk gebruikt als verfraaiing van gebouwen. In de Middeleeuwen werd het Romeinse materiaal herbruikt; nadien geraakte de ‘tegula’ of de tichel vergeten, tot Arabieren en Cisterciënsers een belangrijke rol begonnen te spelen als verhandelaars en producenten. Vloerresten uit abdijen, zoals deze van de Antwerpse Sint-Michielsabdij en de site van Ename zijn onze oudste pronkstukken en ondergebracht in musea, waaronder het Antwerpse Vleeshuis. Onze slib-en reliëftegels werden zelfs tot in Engeland uitgevoerd. Courante termen zoals faïence en majolica verwijzen nog steeds naar toenmalige belangrijke productie- of verhandelingscentra, zoals Mallorca en Faïenza. Tussen 1508 en 1513 vestigden zich 3 Italiaanse vaklui in Antwerpen en groeide de 16de eeuwse Sinjorenstad uit tot het belangrijkste centrum ten Noorden van de Alpen. De stad was ook een belangrijke haven, dus tevens een belangrijk importcentrum van buitenlandse tegels. Het atelier van de uitgeweken Italiaan Guido da Savino was het belangrijkste en bleef, met bijfilialen, actief tot 1622. Da Savino veranderde zijn naam n.a.v. zijn huwelijk in Guido Andries. Ten gevolge van de godsdienstproblematiek weken echter vele vaklui uit naar diverse centra in de Noorderlijke Nederlanden (Delft, Haarlem, Amsterdam, Rotterdam, Dordrecht en Utrecht). Een broer van Cornelis Floris, Hans of Jan Floris, trok naar Carcares. Zonen en een leerling van G. Andries werkten in Spanje, Engeland en Nederland. Antwerpen kende een terugval; na 1630 bleef enkel nog in Brugge een atelier, dat van Pulinckx, actief. Dank zij de industrialisatie en bepaalde patenten werd de tegel vanaf de 19de eeuw terug belangrijk. Talloze bedrijven werden in de 19de eeuw opgericht. Vanaf 1897 was in Antwerpen het bedrijf van Georges Gilliot actief, als de concurrent van Boch en het Maison Helman (gevestigd in Sint-Agatha-Berchem). Prachtige ensembles zijn nog steeds te bewonderen in de wijk Zurenborgh; de helft van de versieringen zijn in keramiek gemaakt. Andere interessante gebouwen zijn de Zoo, meerdere scholen zoals het Instituut van de Ursulinen in Onze-Lieve-Vrouw-Waver, pastorijen en kastelen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de productie stilgelegd of beperkt. Een laatste heropleving kende de tegel in de interbellumtijd en de ’50-er jaren. Deelnamen aan Wereldtentoonstellingen en uitgaven van catalogi zorgden voor meer bekendheid. Merkwaardige ensembles en versieringen op kerkmeubelen uit die tijd zijn te bewonderen in kerken en scholen van o.a. Hemiksem, Wilrijk, Turnhout, de seminaries van Sint-Katelijne-Waver en Hoogstraten. Vele betegelde winkelpuien zijn nog bewaard in Mechelen. De laatste monumentale realisaties zijn de 2 Scheldetunnels en het Tropisch Instituut voor Geneeskunde in Antwerpen en het NMBS-station in Mechelen, voltooid in 1959.

Meer info over dit boek krijgt U op het telnr. 03/ 240 55 70 of bij Openbaar Kunstbezit. Het ISBN nr. is 9 789 076 099 743.

<terug naar boven>

Brussel XL in actie

Een nieuw wandelweetboek van OPB

In juni presenteerde OPB een vierde wandelweetboek. In dit nummer komt zowel de sportieve ziel, de hongerige lezer als de nieuwsgierige toerist volledig aan zijn trekken. Deze keer zijn zowel een kortverhaal (nachtelijke loop door Brussel) en 4 hoofdstukken, uitgewerkt onder de vorm van 2 wandel- en 2 fietstochten, met bijhorend stadsplan, in de 78 pagina tellende publicatie opgenomen. Elke tocht is gefocust op een aantal aspecten: sportaccommodatie in open lucht of onder dak, sjieke of volkse clublokalen, glorievolle wedstrijden of helden en legenden. Niet alleen het heden wordt belicht. Van de meeste sporttakken, de belangrijkste wedstrijden en de bekendste clubs wordt ook een kort, historisch overzicht gegeven. En natuurlijk zijn ook de merkwaardigste sportcomplexen besproken. over zwembaden en stadia verschenen in het verleden andere uitgaven. Hier volgt een selectie van locaties en weetjes..

 

Voor elk wat wils: petanque, wielrennen, boksen, kaatsen, boogschieten en schaatsen

Schaarbeek droeg didactiek en een degelijke sportinfrastructuur hoog in het vaandel. Het Josaphatpark, geopend in 1904, herbergde zowel een Alpen- als een landbouwtuin, een dierenpark, een schuttersclublokaal, schietvelden en petanquebanen. Er vlakbij, aan de Bertrandlaan, bevond zich het Sportpaleis. Het was zowel piste voor meerdere wielrenkampioenschappen als zaal voor boks-en turnavonden. Er was ook een Stadion, dat in ’84 nog voor een optreden van Bob Dylan werd gebruikt maar nadien in verval raakte… Het kaatsbalspel werd al vanaf de 14de eeuw in Oudenaarde gespeeld. Nadien kwamen Brugge en Brussel (in 1588) onder de ban van het nieuwe balspel, waarbij vooral per wijk of per parochie werd gespeeld. Wedstrijden hadden eerst plaats op de Zavel en vanaf 1854 in de Marollen. Het spel werd na de Tweede Wereldoorlog in Brussel vergeten maar bleef in het Pajottenland en de regio van Doornik en Ronse populair . Vele geschenken of trofeeën in edelmetaal zijn nog steeds te bewonderen in de St Jacobskerk van de Coudenberg. De schuttersgilde van Onze-Lieve-Vrouw van de Zavel, opgericht in 1213, komt nog steeds elke vrijdag samen in de kelders van de Berg van Barmhartigheid, in de Sint-Ghislainstraat, waar men over 6, 10 en 20m afstand kan schieten. Vanaf het einde van de 19de eeuw was Brussel in de ban van het schaatsen. De Pole Nord aan de Grétrystraat, de Saint Sauveur aan de Warmoesberg maar ook de ijsbaan van Vorst Nationaal hoeven we nu niet meer op te zoeken.

 

Nog andere hobby’s: paardrijden, vissen, roeien, klimmen, darts en skaten

Ook de glorie van de Brusselse paardenrenbanen behoort tot het verleden. De renbanen van Groenendaal en Bosvoorde werden in de ’80-er jaren gesloten. Een deel van Groenendaal werd beschermd en 16 ha werd door de Vlaamse overheid overgenomen. De bekende club ‘Royal Etrier Belge’, opgericht door Louis Solvay, met clublokaal en 73 paardenboxen aan de Groene Jagersveldlaan, stond tot ‘92 in voor vele indoorevenementen. Vanaf 2000 werden heel wat jumpings bij Tour en Tassis of op de Heizel georganiseerd. Vissers komen in onze hoofdstad goed aan hun trekken, o.a. aan de vijvers van Elsene, de Mellaertsvijvers van St-Pieters-Woluwe, de vijver aan de Clementinasquare in Laken en de putten aan het Sportcentrum in Neder-over-Heembeek. En nu ook het Kanaal. In de 19de eeuw was de roeiclub ‘Club des Régattes’ eerst gehuisvest aan de Groendreef. Ze verhuisde later naar Anderlecht en betrekt er al jaar en dag een clubhuis, met democratisch restaurant en andere accommodaties, aan de Veeweydekaai, naast het Coovidomein. Klimmers kunnen zich uitleven in de ondergrondse ruimten van de Basiliek van Koekelberg, het domein van de UCL in Woluwe of in ‘ Terres Neuves’ in de Nieuwlandstraat. Darts- en skatefanaten blijven in dezelfde buurt en zoeken het café Saint Michel in de Cellebroersstraat of de skatepiste aan het Ursulinenplein op. Tussen juni en september kunt U trouwens elke vrijdagavond, vanaf 21uur, een lang parcours boven- en ondergronds door de stad afleggen, geassisteerd door de politie.

ISBNnr 978- 90789 041-

<terug naar boven>

 

Brusselse wafels

‘ Om te backen, dicke wafelen’- Een nieuw boek over een belangrijk element van het culinaire, Brusselse erfgoed.

 

Italianen eten spaghetti, Duitsers worst en Belgen wafels. Een imago dat sedert de wereldtentoonstelling van 1964, georganiseerd in New York, steeds verder werd gecultiveerd.

Zowel in België als in andere landen kent men verschillende soorten wafels. De bekendste bij ons zijn de huishoudwafels of de ‘Vlaamse wafels’.

Maar er zijn ook nog de Luikse en de Brusselse wafels. Er is echter zeer weinig geweten over de geschiedenis, de herkomst en de verschillen tussen deze soorten ‘gebak’. De Vlaamse Gemeenschapscommissie en de cel Brussels Erfgoed gaven daarom aan ASG de opdracht dit verder te onderzoeken. Een onderzoek dat uitmondde in een boeiend, vlot te lezen en tevens heerlijk geurend boek, dat U echt laat watertanden. Het boek werd onlangs officieel voorgesteld, in het begin van ‘de Week van de Smaak 2008’. Het telt 125 pagina’s, 9 hoofdstukken, een uitvoerige bibliografie en tal van kleuren- en zwart-wit foto’s.

 

Oorsprong en oudste recepten- vermeldingen in de reclame en de literatuur

De wafel is géén Belgische uitvinding. Het werd al in de Middeleeuwen, in Parijs, als ‘oublie’ aangeboden en was ook als “zoete hap” aanwezig op de kermissen en de foren. De oudste recepten uit de Nederlanden en in Duitsland dateren uit de 16de eeuw. Ook in de kunst werden er al wafels uitgebeeld vanaf diezelfde tijd; denken we maar aan Bosch, Bruegel, Pieter Aertsen en Sebastiaan Vranckx! In Frankrijk is de eerste vermelding terug te vinden is in ‘le patissier français’, geschreven in 1653 door François Pierre de la Varenne. De bakermat van de wafel situeert zich dus in de Nederlanden en Duitsland. Wafelventers en –vrouwen werden ook al in de literatuur beschreven vanaf de 17de eeuw. Pas vanaf 1874 wordt specifiek gewag gemaakt in kookboeken en receptenschriftjes van ‘Brusselse wafels’. Tussen 1842 en 1874 werd er geen enkel recept gepubliceerd. De eerste, die de wafel vermeldde, was niemand minder dan Cauderlier, in zijn boek ‘la patisserie et les confitures’. Zijn recept was zeer sober. In het boek ‘Brusselse wafels en andere heerlijkheden’ werden kermisfolders opgenomen en werd verwezen naar het wafelkraam “Max” van Maximiliaen Consael, die in 1856 deze naam had bedacht. Is de Brusselse wafel dus toen, op de kermis, ontstaan en uitgevonden? Of bestonden er vanaf toen 2 verschillende bereidingswijzen, voor het huishouden en de kermis?

In de Brusselse literatuur werd er vanaf 1604 naar ‘wafels’ verwezen. In een Nederlandse spotprent n.a.v. de Belgische revolutie in 1830 is er boven de troon van Willem I een wafel en 2 verschillende Brusselse biersoorten afgebeeld. In de loop van de 19de eeuw waren er belangrijke wafelhuizen en herbergen in Laken (bij de Isabellabron), in Elsene en in de Onze-Lieve-Vrouw-ter-Sneeuwwijk. Een belangrijke pasteibakker was Florian Dacher, een vriend van Cauderlier, die eerst actief was op de Brusselse Treurenberg en nadien in Gent een zaak opstartte, waar volgens zijn reclamecampagne ‘grosses gaufres de Bruxelles’ werden aangeboden. In de tweede helft van de 19de eeuw openden vele Brusselse zaken een bijhuis of een filiaal aan onze kunst, waar de rijke Brusselaars een tweede verblijf bezaten.

In de loop van de latere geschiedenis werd België door de buitenlanders met de wafel geassocieerd Volgens het onderzoek, verricht door het ASG van ca. 638 kookboeken, behoorde de wafel zelfs tot de ‘top 5’ van de culinaire hoogstandjes. Zeer lang bezaten de wafel en de oliebol ook een monopolie en waren de ‘wafelkramen’ of ‘wafelsalons’ de grote attracties op de Brusselse kermis. Het recept werd door de beroemde wafelbakkerfamilies ook geheim gehouden, maar één ding werd wel verklapt: het gebruik van gist!. Thans zijn de kramen steeds minder aanwezig en worden de wafels en de oliebollen door andere dingen, zoals pizza en hamburgers overtroffen!

 

Vlaams, Brusselse en Luikse wafels-

Volgens het ASGonderzoek zijn er weinig verschillen tussen deze 2 soorten wafels. De ingrediënten en de vorm zijn dezelfde: dik (tussen de 2,8 en de 3 cm), rechthoekig (17,3 tot 18 cm lang en 10 tot 11,2 cm breed) en groot. De bereidingswijze van de Brusselse wafel is wat omslachtiger (scheiding van eidooiers en eiwitten) en de vorm en het aantal gaten van de Brusselse wafel zijn anders. Er wordt volgens het onderzoek van de kookboeken en receptenschriften nergens gist en bier gebruikt!

Volgens de legende zou de wafel in Luik uitgevonden zijn in de 18de eeuw, op vraag van de toenmalige prinsbisschop, die naar een gebakje met parelsuiker snakte. Het boek staat niet stil bij de oorsprong en de samenstelling van de Luikse wafel. Deze ‘malse’ wafel is totaal anders van vorm en heeft afgeronde hoeken. Er wordt wel verwezen naar de huidige, enorme impact of het monopolie van deze wafel in Brussel. Men vindt deze wafel op quasi elke straathoek. Er is ook een grote verwarring vast te stellen op het Internet: op bepaalde websites heeft men zelfs afbeeldingen van deze wafel bij gerechten van Brusselse en Vlaamse wafels geplakt!

 

Het succes van de Belgian waffle, te danken aan wereldtentoonstellingen.

Op de expo ’58 was de wafel nog een randverschijnsel. Het Arctic-ijsje was toen dé attractie! Het kraam van de Belg Maurice Vermeersch, met de naam ‘Bel-gem’ op de Wereldexpo van New York, waar wafels met aardbeien en slagroom te krijgen waren, lokte een ware wafelrage uit! Ook in Japan, in Aichi, in 2005, werden dagelijks ca. 6.000 Belgische wafels verkocht. Sinds 2008 houdt Thomas de Geest, een vroegere IBM-werknemer, een wafelkraam open in de V.S., met de spitsvondige naam ‘wafels en dinges’. Vooral zijn WMDwafel (Wafel of Massive Deliciousness) doet de Amerikanen watertanden! In dit continent worden er ook niet minder dan 11 merken van wafelijzers op het Internet gepromoot!

 

Info i.v. m. het boek: prijs 19 euro- ISBNnr: 978 907 754 9469

<terug naar boven>

Sint-Michiel, de Brusselaar

Een nieuwe uitgave van Historia Bruxellaen br 12- Auteur: Jean-Luc Petit

 

Onlangs verscheen er een boekje, gewijd aan Sint-Michiel. Sinds eeuwen is deze aarstengel verbonden met Brussel. Zijn afbeeldingen zijn daarom in de Brusselse vijfhoek het meeste verspreid . Het boekje telt 63 pagina’s, bestaat uit 5 hoofdstukken en is rijkelijk voorzien van kleurenfoto’s. In een eerste hoofdstuk wordt nader ingegaan op de betekenis van de naam, de functie en de latere interpretaties van de rol van de aarstengel. In een tweede en derde hoofdstuk wordt de keuze van de stad voor Sint Michiel als stadspatroon nader uitgelegd. De cultus waaide vanuit het Oosten (Byzantium) eerst over naar Zuid- en Midden-Italië en nadien in de rest van West-Europa. Pas in de Karolingische tijd werd Sint-Michiel vereerd in het bisdom Kamerijk: in de bovenstad werd in de 8ste of 9de eeuw een kapel ter zijner ere gebouwd. Deze kapel werd nadien een romaanse kerk, een collegiale en een gotisch bedehuis. De oudste afbeeldingen van de aartsengel vinden we logischerwijze vanaf de 12de eeuw terug op zegels van het kapittel. Nadien koos de stad Sint- Michiel als stadspatroon. Vanaf de 13de eeuw vinden we de aartsengel afgebeeld op stadszegels. Een dergelijk fenomeen stellen we vast bij vele gemeenten en steden. De kleur op het oudste wapenschild van de stad was’keel’ of rood. Denk aan het verplichte stadsmerk op de Brusselse wandtapijten! Volgens de auteur kan deze rode kleur verwijzen naar het feit dat Brussel ooit behoorde tot Neder-Lotharingen. Pas in de 16de eeuw verscheen de engel met de duivel op het stedelijke wapenschild. De cultus van Sint-Goedele en later van het Heilig Sacrament van Mirakel bleven eeuwenlang de verering van Sint-Michiel overschaduwen. In 1979 kreeg de kathedraal opnieuw een dubbele benaming en werd Sint Michiel opnieuw de waardige evenknie van Sint-Goedele.

In het derde hoofdstuk wordt verder ingegaan op afbeeldingen en waarmerken en op gedrukte emblemen. Sint-Michiel prijkt eeuwenlang op standaardmaten, metalen voorwerpen, zitpenningen, geldstukken, medailles en drukwerk. De engel en de duivel werden met kleine variaties (tuniek of harnas, lans of zwaard, verschillende kronen…) uitgebeeld. Slechts een maal, nl. in de Franse tijd werd Sint-Michiel vervangen. Heiligen mochten niet meer voorgesteld worden. Op het ovale zegel bleef vanaf ca. 1794 tot 1811 een stadsallegorie, nl. een antiek geklede vrouw, met laurierkrans, commandostaf en lictorenbundel afgebeeld. Onder Karel Buls kreeg de engel een fakkel. Na de viering van 1000 jaar Brussel werd de stadsvlag en het ‘logo’ opnieuw veranderd. In de laatste hoofdstukken is een wandeling beschreven langsheen straatmeubilair en de vele openbare, religieuze, commerciële en private gebouwen waar Sint-Michiel op te herkennen is. Tenslotte wordt ook verwezen naar de musea, de reclame, biermerken van Vandenheuvel en de welbekende sigaretten, die tussen ca. 1900 en 1990 in de Putterijwijk en later in Molenbeek werd vervaardigd. Wist U ook dat deze heilige zijn naam gaf aan een plein, ziekenhuis, mutualiteit, theater, riddergilde, dartscafé en een stripprijs?

Het ISBNnr van deze uitgave is 978-2- 9300423- 1. Het boekje kost 8 euro en wordt verkocht in het Broodhuis en het Stadsarchief.

<terug naar boven>

Brussel XL in noten

Een nieuwe uitgave van OPB (Onthaal en Promotie Brussel) heeft een nieuw, thematisch wandelweetboek uitgebracht.

Het telt 81 pagina’s en is het derde nummer en, zoals de titel duidelijk aangeeft, volledig aan het muzikale Brussel gewijd. Er zijn 3 uitgestippelde wandelingen beschreven. Twee verkenningen spelen zich af in de oude binnenstad en brengen u langs tal van bekende muziektempels. We denken hierbij aan verschillende kerken, zoals de Sint-Michielskathedraal, de Finistère- en Begijnhofkerk, maar ook aan de Munt, het P.S.K., het MIM, de A.B., het Koninklijk Muziekconservatorium, de vroegere, vermaarde vrijetijdsbuurt aan het de Brouckèreplein, de J. Brelstichting, galerijen en de Spaanse Trappen. Zelfs enkele muziekwinkels in de Beursstraat, Anspachlaan, Plattesteen en de Kolenmarkt, ateliers van instrumentenbouwers en standbeelden, zoals dat van Bartok en Jenneval en straatnamen zijn niet vergeten. Een andere ontdekkingstocht is uitgestippeld in Elsene. Het parcours begint bij de Molièrezaal in de Naamsepoortgalerij en gaat verder via de platenzaak Arlequin in de Atheneumstraat, het restaurant ‘Horloge du Sud’ in de Troonstraat tot de Sint-Bonifatiuskerk en het Adolphe Saxplein. Ook Flagey en de vroegere woning van La Malibran en Charles de Béroit (nu gemeentehuis van Elsene) werden niet vergeten. Tenslotte is ook het kerkhof van Elsene een ommetje waard: hier liggen tal van architecten, schrijvers en kunstenaars begraven, waaronder ook Eugène Ysaÿe. Zijn grafmonument werd bekostigd door de Vereniging van Auteurs, Muziekuitgevers en Componisten en is versierd met een medaillon, gemaakt door C. Meunier. Dit wandelweetboekje is gratis. Het ISBN nr. is 9 789 078 93 10 34.

<terug naar boven>

Koning van Kokanje

Vertelsels, feiten en verhalen uit de wondere keuken van onze rijke taal

Een uitgave van het ASG (Academie voor Streekgebonden Gastronomie), geschreven door Peter Grypdonck, al 27 jaar lid van ASG en 30 jaar lang medewerker van het Nieuwsblad, de Standaard en Knack

 

Woorden, uitdrukkingen, zegswijzen en spreekwoorden hebben vaak een verre oorsprong. Ook verhalen, mythen en sprookjes zijn interessante informatiebronnen. Denken we maar aan de rol van de appel in tal van verhalen of de omschrijvingen ‘het land van melk en honing’ en Luilekkerland of Kokanje. Zowel de herkomst van culinaire termen en gezegden als het gebruik van bepaalde scheldwoorden, de band tussen ‘snuikerijen’ en het woord ‘snaak’, de relatie van bepaalde voedingsmiddelen met de vasten of met de literatuur en de muziek (Bach schreef o.a. een koffiecantate) en de ontwikkeling van herbergen, tavernen, taphuizen, hospitalen en restaurants komen hierbij aan bod. Heeft de hotdog echt iets met een hond te maken ? Waren de peperkoek en de frieten een Belgische uitvinding? Van waar komt het gezegde ‘een bordje aap’ ? Dit alles en nog veel meer leest U in een vlot geschreven publicatie. Dit boekje telt 139 pagina’s en vele zwart-wit-illustraties. Het ISBN nr. is 0775- 4159 en het registratienummer wettelijk depot BD 40.313. Deze uitgave kost, zonder verzendingskosten, 11 euro en kan besteld worden bij Greta Wellens, Lindestraat 31/5 in Peutie. Haar mailadres is greta.wellens@skynet.be

<terug naar boven>